Wat is het Metabool Syndroom?

Metabool syndroom, ook wel het insulineresistentie syndroom, syndroom X of dysmetabool syndroom genoemd, is geen ziekte, maar een complex van met elkaar samenhangende (metabole) risicofactoren voor diabetes type 2 en hart- en vaatziekten.  

De diagnose metabool syndroom wordt gesteld aan de hand van vijf criteria (zie hieronder); na jarenlange discussie is hierover internationale consensus bereikt.  

De belangrijkste kenmerken (risicofactoren) van metabool syndroom zijn: 

  • Een overmaat aan vetweefsel in de buikstreek (abdominale, viscerale obesitas),  
  • Verhoogde bloedspiegels van triglyceriden en LDL-cholesteroldeeltjes en een verlaagde HDL-cholesterolspiegel,  
  • Een verhoogde bloeddruk, 
  • Een verhoogde (nuchtere) bloedglucosespiegel.  

Andere (ongunstige) kenmerken van metabool syndroom zijn:  

  • Een chronische laaggradige ontstekingsactiviteit, een pijntje hier en een pijntje daar (het PHPD-syndroom). 
  • Verhoogde oxidatieve stress, een vermindering van de functie van de vaatwand en een toegenomen stolling met het gevaar op hart en vaatziekten eninfarcten. 
  • Insulineresistentie en abdominale obesitas zijn waarschijnlijk de belangrijkste oorzaken van deze risicofactoren. 

De diagnose metabool syndroom wordt gesteld als minimaal 3 van de 5 criteria aanwezig zijn: 

  1. Abdominale obesitas: overmaat buikvet met taille omvang groter dan 88 cm bij vrouwen; en groter dan 102 cm bij mannen. 
  1. Triglyceriden ≥150 mg/dl (1,7 mmol/l) in de bloedwaardes of behandeling met medicijnen van hypertriglyceridemie. 
  1. HDL-cholesterol <50 mg/dl (1,3 mmol/l) bij vrouwen; <40 mg/dl (1,0 mmol/l) bij mannen of medicamenteuze behandeling van een laag HDL-cholesterol. 
  1. Bloeddruk, systolisch ≥130 mm Hg en/of diastolisch ≥85 mm Hg of medicamenteuze behandeling van hoge bloeddruk. 
  1. Nuchtere bloedglucosespiegel ≥100 mg/dl (5,5 mmol/l) of medicamenteuze behandeling van diabetes type 2. 

Mogelijkheid tot ziekte preventie: 
 
Mensen met metabool syndroom (3-5 criteria) hebben twee keer zoveel kans om in de komende 5 tot 10 jaar hart- en/of vaatziekten te ontwikkelen en vijf keer zoveel kans om diabetes type 2 te krijgen vergeleken met gezonde mensen.  

Uit een analyse van de West of Scotland Study blijkt zelfs dat mannen die aan 4 of 5 criteria van metabool syndroom voldoen, 25 keer zoveel kans hebben op diabetes en 4 keer zoveel kans op een cardiovasculaire aandoening vergeleken met controles.  

Bovendien is metabool syndroom geassocieerd met versnelde veroudering en een toegenomen kans op andere (chronische) klachten en (degeneratieve) aandoeningen.  

Uit een onderzoek uit 2011 komt naar voren dat mensen met metabool syndroom meer psychische, lichamelijke en psychosociale problemen hebben en een lagere gezondheid gerelateerde kwaliteit van leven ervaren dan mensen zonder metabool syndroom.  

 
De kans op metabool syndroom neemt toe met het ouder worden. Het voor komen van metabool syndroom in Nederland (1994-1998) bedraagt 12% bij mannen en 5% bij vrouwen onder 40 jaar; circa 20% bij mannen en 11% bij vrouwen tussen 40 en 49 jaar en 20-25% bij mannen en vrouwen boven 50 jaar. Dit komt neer op meer dan 1 miljoen Nederlandse volwassenen met metabool syndroom. Dit zijn getallen die nu, in 2020, vermoedelijk veel hoger zijn! 
 
Klachten en aandoeningen geassocieerd met metabool syndroom: 

  • Diabetes type 2 
  • Hart- en vaatziekten (kransvatziekte, hartfalen, myocardinfarct, beroerte, perifere vasculaire aandoeningen) 
  • Obesitas 
  • Osteoporose 
  • Osteoartritis  
  • Jicht 
  • Cognitieve achteruitgang  
  • Ziekte van Alzheimer 
  • Sub- en infertiliteit 
  • Seksuele disfunctie (erectiestoornis, laag libido) 
  • Chronische vermoeidheid  
  • Chronische stress 
  • Depressie 
  • Kanker (borst, dikke darm, pancreas, prostaat, endometrium)  
  • Slaapapneu  
  • (Cholesterol)galstenen 
  • Chronische nierziekten 
  • Polycysteus-ovariumsyndroom  
  • Niet-alcoholische leververvetting (NAFLD) 

Factoren die metabool syndroom bevorderen: 
 
Metabool syndroom heeft een genetische component. Sommige mensen hebben vergeleken met anderen een lagere gevoeligheid voor insuline (de mate waarin insuline de bloedglucosespiegel kan verlagen) en/of bezitten genen die ontvankelijk maken voor overgewicht en obesitas.  

Een laag geboortegewicht of een behandeling voor kanker op kinderleeftijd maakt ook ontvankelijk voor een metabool syndroom.  

Echter, meer dan de helft van de kans op metabool syndroom is te wijten aan een verkeerd voedingspatroon en andere leefstijl gerelateerde factoren.  

Verschillende combinaties van te veel (geraffineerde) koolhydraten, te veel verzadigde vetten en transvetten, te veel calorieën, onvoldoende groenten en fruit, te veel koffie en/of alcohol, onvoldoende inname van voedingsvezels en essentiële voedingsstoffen, roken, een zittende leefstijl, slaaptekort en chronische stress kunnen de pathofysiologische processen inleiden en versnellen. 

Metabool syndroom kan worden bevorderd door (bijkomende) psychische en lichamelijke ziekten (waaronder depressie, cystische fibrose, chronische ontstekingsziekten zoals reuma) en door het gebruik van bepaalde medicijnen (antidepressiva, antipsychotica, anticonceptiepil, corticosteroïden, proteaseremmers).  

Ontstaansmechanisme van metabool syndroom 
 
Het ontstaansmechanisme van metabool syndroom is complex en is slechts ten dele opgehelderd. Twee elkaar versterkende factoren, insulineresistentie en abdominale obesitas, verklaren voor een groot deel de verschijnselen van metabool syndroom.  

Insulineresistentie 
 
Insuline wordt in bètacellen van de alvleesklier geproduceerd en in circulatie gebracht door de alvleesklier als de bloedglucosespiegel te hoog dreigt te worden, zoals na het eten van koolhydraten.  

Het zet insulinegevoelige cellen (spier-, lever- en vetcellen) als het ware open voor glucose door zich te binden aan insulinereceptoren.  

Insulinegevoelige weefsels slaan overtollig glucose op voor later gebruik in de vorm van glycogeen en (vooral) vetten. Als de bloedglucosespiegel te laag dreigt te worden dan zorgt glucagon dat de lever voldoende glucose afgeeft aan het bloed. Deze glucose is afkomstig uit de glycogeenvoorraad of wordt gemaakt uit eiwitten, lactaat of glycerol (vetten) dit heet gluconeogenese. Idealiter schommelt de bloedglucosespiegel weinig en is de insuline-afgifte niet hoger dan strikt noodzakelijk. 
 
Insulineresistentie houdt in dat insulinegevoelige weefsels (met name lever en spieren) minder goed op insuline reageren. Om te zorgen dat de cellen toch glucose opnemen geeft de alvleesklier steeds meer insuline af (hyperinsulinemie).  

Dit compensatiemechanisme zorgt voor een normale bloedsuikerspiegel. Helaas houden insulineresistentie en de daaropvolgende insulinestijging elkaar in stand en verergert de situatie gaandeweg. Diabetes type 2 ontstaat bij ongeveer 20% van de mensen met insulineresistentie. Door ontsteking, oxidatieve beschadiging en uitputting kan de insulineproductie door bètacellen afnemen waardoor onvoldoende insuline beschikbaar is om de bloedglucosespiegel onder controle te houden. Bij 80% van de mensen komt het niet zo ver en blijft het evenwicht tussen insulineresistentie en hyperinsulinemie dusdanig dat de glucosespiegel nog binnen de normale grenzen blijft. Vaak schommelt de bloedglucosespiegel meer dan normaal; op termijn kan de nuchtere glucosespiegel geleidelijk stijgen en/of stijgt de glucosespiegel na het eten van koolhydraten sterker dan normaal (postprandiale hyperglycemie). Deze hyperglycemie draagt bij aan aderverkalking, onder meer door de vorming van AGE’s (advanced glycation end products). 
 
Insulineresistentie kan het (directe) gevolg zijn van erfelijke aanleg (verminderde insulinewerking door mutaties van de insulinereceptor of antilichamen tegen de insulinereceptor), gebrek aan lichaamsbeweging, ongezonde voeding (veel geraffineerde koolhydraten en verzadigde vetten, tekort aan essentiële voedingsstoffen) en verhoogde spiegels van ontstekingsbevorderende cytokines waaronder TNF-α en IL-6 (door veroudering, chronische ontstekingsziekten of abdominale obesitas).  

Insulineresistentie kan abdominale obesitas bevorderen; het metabool actieve vetweefsel in de buikstreek is minder snel insulineresistent dan lever en spieren en neemt daardoor naar verhouding meer glucose dan normaal uit het bloed op. Normaliter zijn de spieren verantwoordelijk voor 80% van de insulineafhankelijke glucoseopname. 

 
Abdominale obesitas 
 
Erfelijke aanleg voor overgewicht, gebrek aan lichaamsbeweging en overmatig (en ongezond) eten kunnen leiden tot abdominale obesitas en overgewicht. Bij veel mensen is abdominale obesitas eerder oorzaak dan gevolg van metabool syndroom. 
 
Hier wordt het even technisch: Abdominaal (buik) vetweefsel fungeert als een hormoonproducerend orgaan en beïnvloedt andere organen door de afgifte van boodschapperstoffen, adipokines genoemd (leptine, resistine, adiponectine, plasminogen-activator inhibitor-1). Daarnaast worden ontstekingsbevorderende cytokines (IL-1α, IL-1β, IL-6, TNF-α) andere vetzuren afgegeven. 

Adipokines, pro-inflammatoire cytokines en vrije vetzuren induceren insulineresistentie in spieren en lever, wat leidt tot hyperinsulinemie en hyperglycemie.  

Hyperinsulinemie draagt bij aan vaatwand achteruitgang en het afzetten van vetachtige stoffen in de vaatwand.  

Vrije vetzuren die worden opgenomen door de lever hebben een ongunstige invloed op de glucose- en vetstofwisseling in de lever: er treedt leververvetting op, de lever produceert meer glucose als gevolg van insulineresistentie (hetgeen bijdraagt aan hyperglycemie), de HDL-cholesterolspiegel daalt en de spiegels van LDL-cholesterol, triglyceriden stijgen. 
 
De kans op hart- en vaatziekten neemt toe door chronische laaggradige ontsteking, toename van oxidatieve stress en vaatwand achteruitgang.  

Insulineresistentie en hyperinsulinemie verhogen de bloeddruk onder meer door de achteruitgang van kwaliteit van de vaatwanden, verlaging van het intracellulaire magnesiumgehalte, verlaging van de natriumuitscheiding door de nieren en activering van het sympathische zenuwstelsel. 

 
Brede aanpak van metabool syndroom nodig 
 
Aangezien metabool syndroom een multifactoriële aandoening is, dient de behandeling ervan op verschillende pijlers te berusten. 
 

Sport en beweging 
 
Gebrek aan lichaamsbeweging bevordert insulineresistentie, nog los van eventuele gewichtstoename door een disbalans tussen energie-inname en energieverbruik.  

Zittende bezigheden zijn overigens iets minder ongezond als iemand geregeld opstaat en wat beweging neemt.  

Professor Blair van de universiteit van Denton noemt metabool syndroom het ‘physical inactivity syndrome’, aangezien alle vijf criteria van metabool syndroom gecorreleerd zijn aan lichamelijke inactiviteit. Dit is ook bekend onder de naam sedentary death syndrome. 

Meer beweging verbetert de lichamelijke conditie significant en verlaagt de sterftekans.  

Mannen met diabetes type 2 (en metabool syndroom) hebben bij een slechte lichamelijke conditie zes tot zeven keer meer kans te overlijden aan hart- en vaatziekten dan bij een goede conditie.  

 
Bij obese kinderen, die gedurende 8 weken drie uur per week onder begeleiding trainden (maar niet op dieet waren), verbeterden insulinegevoeligheid en conditie significant zonder veranderingen in de lichaamssamenstelling.  

Regelmatig bewegen is een voorwaarde voor een blijvend effect op de insulinegevoeligheid. De aanbeveling is om elke dag ten minste gedurende dertig minuten te fietsen of stevig door te wandelen, zodat de hartslag omhooggaat. Beter is het zitten ieder half uur te onderbreken en even 2 minuten te bewegen. 
 

Afvallen en verhogen vetvrije massa 
 
Afvallen verbetert insulinegevoeligheid en bloedvetten bij mensen met metabool syndroom en overgewicht of obesitas. Overigens, een normaal lichaamsgewicht is niet per definitie gezond.  

Mensen met een normaal lichaamsgewicht kunnen een te hoog vetpercentage hebben (>26% bij mannen, >38% bij vrouwen); zij hebben net zoals mensen met overgewicht een grotere kans op metabool syndroom door verhoogde spiegels van bloedvetten en ontstekingsstoffen.  

Een te hoog vetpercentage bij een normaal lichaamsgewicht wordt ‘normal weight obesity’ (NWO) of “skinny fat” genoemd.  

 
Rust, ontspanning en afzien van roken 
 
Voldoende slaap en ontspanning helpen metabool syndroom terug te dringen. Chronische stress verhoogt de cortisolspiegel, wat leidt tot verhoging van de bloedglucosespiegel, insulineresistentie, hyperinsulinemie en toename van de ontstekingsactiviteit.  

Hyperinsulinemie activeert het sympathische zenuwstelsel en houdt de stressreactie in stand. Cortisol (ook een stresshormoon) stimuleert vetopslag in de buikstreek en buikvet verhoogt de cortisolspiegel; beide dragen bij aan metabool syndroom. In een studie uit 2011 is aangetoond dat meditatie (twee keer daags 15 tot 20 minuten) helpt om psychische stress te verminderen en parameters van metabool syndroom te verbeteren; de onderzoekers zagen significante verbeteringen in stemming, lichaamsgewicht, diastolische bloeddruk, triglyceridenspiegel en endotheel functie.  
 
Roken is sterk af te raden. Roken bevordert insulineresistentie, verhoogt de triglyceridenspiegel, verlaagt de HDL-spiegel en zorgt voor kleinere LDL-deeltjes. Daarnaast zijn bij rokers verhoogde bloedserumspiegels van fibrinogeen (een stollingseiwit), C-reactief proteïne (een ontstekingseiwit) en homocysteïne gevonden, factoren die metabool syndroom en hart- en vaatziekten bevorderen. 

 
Volwaardige voeding met een lage glykemische lading 
 
Mensen met (aanleg voor) metabool syndroom hebben volwaardige voeding nodig met een lage glykemische lading, dat wil zeggen (vezelrijke) voeding met complexe koolhydraten die relatief langzaam door het lichaam worden verteerd en de bloedglucosespiegel na het eten niet te snel laat stijgen.  

Diëten die geschikt zijn voor mensen met (aanleg voor) metabool syndroom zijn het mediterrane dieet, vegetarische dieet, DASH (Dietary Approaches to Stop Hypertension) dieet, (gemodificeerde) Atkins dieet en paleolithische dieet (oerdieet).  

Een eiwitrijk, (koolhydraatbeperkt, licht vetbeperkt) dieet met een lage glykemische lading, zoals het Atkins dieet en paleolithische dieet, zorgt voor meer gewichtsverlies en verlaagt het risico van terugval na een periode van afvallen (het beruchte jojo-effect) beter dan andere type diëten.  

Eiwitten geven aanvankelijk een beter verzadigingsgevoel en verlagen de eetlust meer dan vetten en koolhydraten, waardoor een caloriebeperkt dieet gemakkelijker is vol te houden. Bovendien kost het meer energie om eiwitten te verteren en afvalproducten af te voeren, vergeleken met vetten en koolhydraten.  

Het soort vetten in de voeding is ook van belang. Enkelvoudig en meervoudig onverzadigde vetten (met name omega-3 vetzuren) beschermen tegen metabool syndroom, sommige verzadigde vetten en transvetten bevorderen daarentegen metabool syndroom. 
 
Metabool syndroom versterkt de negatieve effecten van zout op de bloeddruk. Insuline bevordert het vasthouden van zout; dit effect neemt toe bij hyperinsulinemie.  

Abdominale obesitas en verhoogde spiegels van leptine en TNF-α zijn ook geassocieerd met een verhoogde zoutgevoeligheid.  

Een hoge zoutinname leidt daarom bij mensen met metabool syndroom tot een sterkere bloeddrukverhoging dan normaal.   

De risicofactoren op het metabool syndroom nog eens herhaald: 

  • Een overmaat aan vetweefsel in de buikstreek (abdominale, viscerale obesitas),  
  • Verhoogde bloedspiegels van triglyceriden, apo-B en LDL-cholesteroldeeltjes en een verlaagde HDL-cholesterolspiegel,  
  • Een verhoogde bloeddruk, 
  • Een verhoogde (nuchtere) bloedglucosespiegel.  
  • Een chronische laaggradige ontstekingsactiviteit (met verhoogde spiegels van ontstekingsstoffen zoals C-reactief proteïne (CRP), TNF-α, IL-1, IL-6),  
  • Verhoogde oxidatieve stress, endotheel disfunctie (disfunctie van de vaatwand) en een pro trombotische toestand (toegenomen stollingsneiging door een snellere klontering van bloedplaatjes)  
  • Insulineresistentie en abdominale obesitas zijn waarschijnlijk de belangrijkste oorzaken van het clusteren van deze risicofactoren. 

Wanneer je jezelf herkent in deze risicofactoren of in de symptomen geassocieerd met het metabool syndroom: 

  • Diabetes type 2 
  • Hart- en vaatziekten (kransvatziekte, hartfalen, myocardinfarct, beroerte, perifere vasculaire aandoeningen) 
  • Obesitas 
  • Osteoporose 
  • Osteoartritis  
  • Jicht 
  • Cognitieve achteruitgang  
  • Ziekte van Alzheimer 
  • Sub- en infertiliteit 
  • Seksuele disfunctie (erectiestoornis, laag libido) 
  • Chronische vermoeidheid  
  • Chronische stress 
  • Depressie 
  • Kanker (borst, dikke darm, pancreas, prostaat, endometrium)  
  • Slaapapneu  
  • (Cholesterol)galstenen 
  • Chronische nierziekten 
  • Polycysteus-ovariumsyndroom  
  • Niet-alcoholische leververvetting (NAFLD) 

Dan zal je iets moeten veranderen want als je blijft doen wat je deed, dan krijg je wat je al had. 

Aangezien metabool syndroom een multifactoriële aandoening is, dient de behandeling ervan op verschillende pijlers te berusten. 
Die pijlers vind je in ons Metabole Reset Programma: voeding, beweging, slaap en stressmanagement. 

Tot de volgende blog! 

Menno en Tom. 

2 gedachten over “Wat is het Metabool Syndroom?”

  1. Super blog. Hoop dat veel mensen dit lezen. Goed uitgelegd, wellicht soms te diep in de materie gegaan, maar duidelijk!
    Bedankt.

    Beantwoorden

Plaats een reactie